Antwoorden Kabinet

De bedoeling van deze antwoorden is duidelijk: houvast bieden aan hen die voor het eerst zich verdiepen in de Nederlandse staatsinrichting. We weten dat er over nogal wat vragen (met name de hoofdvraag aan het eind) heel lang kan worden gediscussieerd over allerlei nuances. We doen dat niet en kiezen er voor om een kort en krachtig antwoord te geven. Mocht je van mening zijn dat er wel zo hier en daar een kanttekening is te maken dat moet je dat vooral doen en je antwoord bespreken met je docent. Hij/zij zal blij zijn met je werkwijze! 

1. K. Wat zijn de drie hoofdtaken van een minister?
- Plannen (worden dus wetsvoorstellen) bedenken (waarmee problemen kunnen worden opgelost).
- Beslissingen nemen waardoor plannen als wetsvoorstel kunnen worden ingediend bij het parlement.
- Door het parlement goedgekeurde plannen uitvoeren.
De hele gang van plan via wetsvoorstel naar goedkeuring door het parlement wordt in Hoofstuk 2 Het Parlement uitgelegd.

2. K. Door welke groep mensen wordt een minister bijgestaan?
- Door ambtenaren op het ministerie.
- Daarnaast huurt een ministerie ook heel vaak adviseurs van buiten het ministerie in. Deze adviseurs kosten veel geld en vandaar dat je ook wel eens in de krant een artikel leest over het voornemen om minder consultants (ander woord voor adviseurs) in te huren.

3. K. Wat is een minister zonder portefeuille?
Een minister met een welomschreven taak (bv ontwikkelingssamenwerking) maar zonder een eigen zelfstandig ministerie. Zo'n minister woont dan in bij een ander ministerie. 

4. Z. Vul het schema in. Gebruik vooral www.regering.nl

Ministerie  Site  In het nieuws met? Naam minister  Partij Naam staatssecretaris Partij
Algemene Zaken www.minaz.nl   Jan Peter Balkenende (1956) CDA - -
Buitenlandse Zaken www.minbuza.nl   Jaap de Hoop Scheffer (1948) CDA Atzo Nicolai (1960) VVD
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties www.minbzk.nl   Johan Remkes (1951) VVD - -
Defensie www.mindef.nl   Henk Kamp (1952) VVD Cees van der Knaap (1951) CDA
Economische Zaken www.minez.nl   Laurens Jan Brinkhorst (1937) D66 Karien van Gennip (1968) CDA
Financien www.minfin.nl   Gerrit Zalm (1952) Vice-minister-president VVD Joop Wijn (1969) CDA
Justitie www.justitie.nl   Piet Hein Donner (1948) CDA - -
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit www.minlnv.nl   Cees Veerman (1949) CDA - -
Onderwijs, cultuur & Wetenschappen www.minocw.nl   Maria van der Hoeven (1949) CDA Annette Nijs (1961) en Medy van der Laan (1960) VVD en D66
Sociale Zaken & Werkgelegenheid home.szw.nl    Aart Jan de Geus (1955) CDA Mark Rutte (1967) VVD
Verkeer & Waterstaat www.verkeerenwaterstaat.nl   Karla Peijs (1944) CDA Melanie Schultz van Haegen (1970) VVD
Volksgezondheid, Welzijn en Sport www.minvws.nl   Hans Hoogervorst (1956) VVD Clémence Ross (1957) CDA
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening & Milieu www.vrom.nl   Sybilla Dekker (1942) VVD Pieter van Geel (1951) CDA
Minister voor Ontwikkelingssamenwerking www.minbuza.nl   Agnes van Ardenne (1950) CDA - -
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie www.justitie.nl   Rita Verdonk (1955) VVD - -
Minister voor Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelatie www.minbzk.nl   Thom de Graaf (1957) Vice-minister-president D66 - -

Verdere informatie (inclusief pasfoto) over de bewindslieden is te vinden op www.regering.nl (button: bewindslieden).

5. Z. Noem de ministers zonder portefeuille met naam en taak en zeg ook bij welk ministerie hij/zij 'inwoont'. 
Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie) woont in bij het ministerie van Justitie, minister Van Ardenne (Onwikkelingssamenwerking) woont in bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en minister De Graaf (Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties) woont in bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

6. K. Door wie en wat wordt de macht van een minister beperkt?
- Door wetten.
- Door collega-ministers.
- Door het parlement (zie hoofdstuk 2).
Daarnaast kan de macht van een minister beperkt worden:
- Door de top-ambtenaren op een ministerie
- Door de bevolking - via concrete instellingen als bv vakbonden.
- Door de bevolking - via de publieke opinie (denk dan ook aan de rol van de pers bij het ontstaan van een publieke opinie).

7. K. Noem de vier hoofdtaken van de minister-president.
- De vergaderingen van de ministerraad leiden.
- Het beleid van het kabinet coördineren (zorgen dat het werk van de ministers op elkaar is afgestemd).
- Het oplossen van onderlinge problemen tussen kabinetsleden.
- Het presenteren van het beleid in binnenland (bv persconferenties geven) en buitenland (bv topontmoetingen met buitenlandse regeringsleiders).

8. In Frankrijk, Engeland, België en Duitsland heb je ook een minister-president. Noem achtereenvolgens de benaming van die functie en de naam van de man of vrouw in de andere landen. Natuurlijk begrijpen we best dat je dit soort vragen nu nog niet allemaal weet. Toch stellen we deze vragen om je de komende tijd te stimuleren de kranten te lezen en het journaal te bekijken (kan ook via websites). De kolom staatshoofd en de bijbehorende namen komen in hoofdstuk 3 aan de orde en hoef je dus nog niet in te vullen! De onderste rij (de V.S.) mag je ook nog overslaan. 

Land  Regeringsleider Staatshoofd
Nederland Minister-president Balkenende Koningin Beatrix
België Premier Guy Verhofstadt Koning Albert II
Duitsland Bondskanselier Gerhard Schröder Bondspresident Johannes Rau
Frankrijk Premier Jean-Pierre Raffarin President Jacques Chirac
Groot-Brittannië Prime-minister Tony Blair Koningin Elisabeth II
V.S. President George Bush jr President George Bush jr

Bruikbare sites om het nieuws uit binnenland en buitenland te volgen staan hieronder. Ook hebben deze sites een archiefonderdeel waarvan je - soms tegen betaling maar gedeeltelijk ook gratis! - gebruik kunt maken.
www.nrc.nl
www.volkskrant.nl
www.ad.nl
www.telegraaf.nl
www.haagschecourant.nl
www.omroep.nl/nos/nieuws/dossiers

9. D. Leg uit waarom een minister het niet leuk vindt om te moeten bezuinigen.
- Dan kan hij zijn plannen niet uitvoeren.
- Dan kan dit de populariteit van hem of haar (of van zijn of haar partij) geen goed doen, met mogelijke gevolgen bij de eerstkomende verkiezingen (minder stemmen).

10. Z. Zoek (voor de volgende les) een artikel uit de krant (of print een on line artikel) over een bezuinigingsonderwerp. Noteer op het artikel (of de uitdraai) de naam en datum van de bron en zorg dat je in circa 5 regels een samenvatting op papier zet. Bewaar het artikel. Uit die samenvatting moet iemand anders, die het artikel niet kent, toch de inhoud kunnen opmaken.
Hier is geen standaardantwoord voor handen. Maak eventueel gebruik van de websites die bij vraag 8 staan vermeld.

11. K. Leg uit wat een staatssecretaris doet.
Een staatssecretaris is een soort onderminister (hoewel die functie in Nederland niet bestaat). Een staatssecretaris is belast met een gedeelte van het takenpakket van een minister.

12. D. Waarom heeft een secretaris-generaal op een ministerie vaak net zo veel 'macht en invloed' op een ministerie als een minister?
Een secretaris-generaal (niet verwarren met de staatssecretaris!) is een ambtenaar die vaak al heel veel jaren op zijn (of haar) ministerie werkt. Daardoor weet de secetaris-generaal soms/vaak veel meer van een bepaald onderwerp af dan de minister. Door deze voorsprong in kennis kan hij/zij de minister van advies voorzien en daardoor ook beïnvloeden. Door deze invloed -simpel gezegd: de minister doet wat de secetaris-generaal adviseert - heeft deze topambtenaar ook macht. Op zich is er natuurlijk verschil tussen macht en invloed, maar voor nu laten we dat onderscheid even rusten.

13. D. Lees de artikeltjes hieronder uit de dagbladen die op dit hoofdstuk betrekking hebben. Maak van ieder artikeltje een samenvatting van circa 5 regels. Uit die samenvatting moet iemand anders, die de artikeltjes niet kent, toch de inhoud kunnen opmaken. 
Hier is geen standaardantwoord voor handen. Maak eventueel gebruik van de websites die bij vraag 8 staan vermeld.

14. Z. Knip uit een van de dagbladen (of print een on-line artikel) dat betrekking heeft op de stof van dit hoofdstuk. Noteer op het artikel (of de uitdraai) de naam en datum van de bron en zorg dat je in circa 5 regels een samenvatting op papier zet. Bewaar het artikel. Uit die samenvatting moet iemand anders, die de artikeltjes niet kent, toch de inhoud kunnen opmaken. 
Ook hier is geen standaardantwoord voor handen. Maak eventueel gebruik van de websites die bij vraag 8 staan vermeld.

15. HOOFDVRAAG 1. Je hebt Hoofdstuk 1 Het Kabinet nu doorgenomen. Wie heeft er naar jouw idee nu de meeste invloed op het bestuur van Nederland? Je kunt kiezen uit het volgende rijtje en probeer je antwoord in circa 5 regels toe te lichten. We noemen dit de rode draadvraag omdat in ieder hoofdstuk deze vraag wordt gesteld. Hoe meer hoofdstukken je hebt doorgenomen des te vollediger je deze vraag kan beantwoorden!
a. een willekeurige minister - een minister kan voor de 'klussen' die er namens zijn ministerie in Nederland moeten worden gedaan veel betekenen. Toch moet hij heel veel rekening houden met onder andere de andere ministers. Op het totale bestuur van Nederland heeft hij dus niet veel invloed.
b. de minister van Financiën - een minister van Financiën heeft wel wat meer invloed op het totale bestuur van Nederland dan een willekeurige minister. Hij moet immers binnen het kabinet alle begrotingen samenvoegen en coördineren tot een Rijksbegroting. Hij moet natuurlijk wel rekening houden met alle kabinetsleden.
c. een willekeurige staatssecretaris - een staatssecretaris is vergelijkbaar met een minister, maar staat nog een trapje lager, dus heeft in feite nog minder invloed op het totale bestuur van Nederland.
d. een minister zonder portefeuille - diens positie is vergelijkbaar met een minister. Alleen heeft hij wel veel minder ambtenaren tot zijn beschikking.
e. de minister-president - ja, je zou zeggen dat de minister-president toch net iets meer invloed heeft dan een gewone minister. De minister-president is immers de eerste onder zijn gelijken (de primus interparis). Je leest wel eens in de krant dat het de minister-president zelf is die door zijn eigen optreden meer of minder invloed op het totale kabinetsbeleid kan gaan uitoefenen. Je begrijpt wel dat een minister-president die al 10 jaar in functie is een enorme voorsprong in kennis heeft op ministers die net beginnen. 
f. de ministerraad - in de ministerraad zitten alle ministers, samen nemen ze de belangrijke beslissingen over het totale bestuur van Nederland. Natuurlijk moeten hun beslissingen nog wel worden goedgekeurd door het parlement (maar dat komt pas in hoofdstuk 2 aan de orde).
g. het kabinet - in het kabinet zitten alle ministers en alle staatssecretarissen, maar die staatssecretarissen hebben natuurlijk wel wat minder in de meld te brokkelen dan hun ministers, dus…..
h. de secretaris-generaal - op een ministerie kan een secretaris-generaal wel de nodige invloed hebben, maar dat geldt natuurlijk niet voor het totale bestuur van Nederland.
Conclusie - Op grond van Hoofdstuk 1 Het Kabinet kun je zeggen dat de ministerraad de meeste invloed heeft op het totale bestuur van Nederland en dat binnen de ministerraad de minister-president en de minister van Financiën weer net iets meer invloed hebben dan de overige ministers.